Waarom kijken we zo anders aan tegen taal?

-

Foei! Bij de taaladviesdiensten kennen ze hun pappenheimers. Komt er een mail of brief binnen met een dergelijk begin, dan volgt er steevast een klaagzang over verkeerd gebruik van het Nederlands. Waar de klagers niet zelden fijntjes aan toevoegen: ‘Dat juist jullie zoiets kunnen doen’. De één kan zich behoorlijk ergeren aan zaken die een ander minder belangrijk of zelfs gewoon correct vindt. Hoe komt het toch dat we zo verschillend tegen taal aan kunnen kijken?

Als je degene bent die verbetert, voelt dat altijd als heel nuttig. Maar als je degene bent die wordt verbeterd, denk je ‘wat een enorm gezeur’.

Volgens Peter-Arno Coppen, hoogleraar Toegepaste Taalwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is het eigenlijk vanzelfsprekend dat er verschillend over taalkwesties wordt gedacht. Mensen kijken nu eenmaal vanuit verschillende perspectieven naar taal. Hij geeft een voorbeeld: ‘Op de vraag of je ‘iets’ wel of niet kunt zeggen, geven mensen verschillende antwoorden. Mensen vinden van wel, omdat het in de ANS staat, of in de Schrijfwijzer of op de website van de Taalunie, of omdat het voorkomt op internet. Mensen vinden van niet, omdat ze het ‘zo’ niet hebben geleerd, het pijn doet aan hun oren of omdat het zo alleen voorkomt op internet.‘

Dat moet misschien nog even nagecheckt worden. Nee, nee, neen, nee. Het is óf checken óf nakijken, maar nachecken kan niet.

Coppen legt uit dat je vanuit drie perspectieven naar taal kunt kijken: vanuit een taalnorm (‘de overtuiging dat taal een expliciete norm heeft’), vanuit taalgevoel (‘de intuïtie of een taalvorm passend is of goed’) of vanuit de taalwerkelijkheid (‘taal zoals die werkelijk bestaat’).

Stel dat ik werkgever ben en ik krijg een sollicitatiebrief met ‘hun hebben’. Dan zou ik die brief terzijde schuiven, dan denk ik ‘wat is het nou voor moeite om het even goed te doen’.

De hoogleraar stelt vervolgens dat deze drie perspectieven op gespannen voet met elkaar staan en dat ook moeten. ‘Mensen lijken te denken dat de norm, het gevoel en de werkelijkheid in een ideale wereld zouden moeten samenvallen. Maar dat is principieel onmogelijk: als de taalnorm gelijk zou zijn aan het taalgevoel, zou de norm overbodig zijn. En de norm is per definitie een gedwongen afwijking van het normale gedrag. Er moet een zekere inspanning nodig zijn om de norm te handhaven, anders stelt hij niets voor. Ook de gedachte dat de taalwerkelijkheid gelijk zou moeten zijn aan het gevoel (of de norm) is fundamenteel onjuist: de werkelijkheid is juist de gedeeltelijke chaos die ontstaat doordat verschillende onvoorspelbare factoren elkaar beïnvloeden. Daar komt bij: als de taalwerkelijkheid gelijk zou zijn aan het taalgevoel, dan bestond er geen taalontwikkeling. Bij een levende taal komt dit nooit voor.’

Ik hoorde laatst mensen van begin twintig zeggen ‘supertanks’ in plaats van ‘dankjewel’.

Naast de verschillende perspectieven van Coppen, is er nog een oorzaak waardoor mensen verschillend naar taal kunnen kijken: het verschil in identiteit. Of misschien beter gezegd: de betekenis van taal voor onze identiteit. Met onze taal laten we zien wie we zijn en tot welke groepen we behoren (en tot welke juist niet). Hans Bennis, algemeen secretaris van de Taalunie, schrijft in het cahier Rassenwaan, een uitgave van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, dat taal bindmiddel kan zijn én splijtzwam: ‘Wanneer taal alleen maar een communicatiemiddel zou zijn, dan zou de hele wereld binnen de kortste keren Engels, of misschien Esperanto spreken. Maar taal is veel meer. Taal is ook een identiteit, en daarmee een bindmiddel en soms een splijtzwam, binnen en tussen groepen mensen.’

Ik vind zelf ‘rompertje’ een heel lelijk woord, daar krijg ik geen warme gevoelens bij. Hetzelfde bij grasmat en inbrengen, en misschien nog wel meer bij aanbrengen.

Bennis betoogt dat er spanning bestaat tussen de twee maatschappelijke functies van taal: ‘De communicatiefunctie geeft aanleiding tot de vorming van één wereldtaal, terwijl de identiteitsfunctie streeft naar net zoveel talen als er identiteiten zijn. En die identiteiten houden niet op bij de landsgrenzen. Ook binnen het Nederlandstalig taalgebied zijn er verschillende identiteiten, en dus zijn er binnen het Nederlands veel verschillende soorten Nederlands. Limburgers willen hun eigen taal spreken, niet omdat dat de communicatie nu zo bevordert, maar omdat ze zich daarmee voorzien van een identiteit. Ze markeren zich daarmee als lid van een groep, op dezelfde manier als mensen uit Wassenaar dat doen via bekakt Nederlands en mensen uit de Kinkerstraat met plat Amsterdams.’

Met zijn allen om de tafel zitten, dat vind ik een vreselijk soort uitdrukking, nu zeg ik hem zelf ineens. Ik heb ook wel eens gezegd ‘zo, kippenvel’. Zo ben ik niet.

‘Meertaligheid is een volstrekt natuurlijke situatie in de meeste landen van de wereld’, vervolgt Bennis. ‘Je hebt de taal van de groep, de taal van het land en de taal van de wereld. Als je opgroeit in Engeland of Amerika, dan kunnen deze drie talen samenvallen, maar in de meeste landen lopen ze uiteen. Ook in Nederland en België. Een welopgevoede Nederlander of Vlaming die afkomstig is uit Limburg, spreekt thuis een Limburgs dialect, in Nederland en Vlaanderen Nederlands, en in het buitenland Neder-Engels. Zo heeft die man of vrouw minstens drie identiteiten: Limburger, Nederlander en wereldburger. Ik kom zelf uit Amsterdam, in de kroeg praat ik plat Amsterdams, in Nederland en Vlaanderen gebruik ik het Standaardnederlands, in het buitenland spreek ik Neder-Engels. Vergelijk het met voetbal. Als Amsterdammer ben ik voor Ajax, als Nederlander voor het Nederlands Elftal. Dat gaat prima samen.’

Meer informatie
​​​​​​​
Peter-Arno Coppen lichtte zijn theorie onlangs toe op het symposium Goede redenen voor foute taal. Daar is ook zijn presentatie te vinden. Eerder schreef hij daarover op de website neerlandistiek.nl

Het artikel Taal als bindmiddel en splijtzwam van Hans Bennis is verschenen in Rassenwaan, vanaf bladzijde 56.

De citaten in dit artikel zijn afkomstig uit de DWDD Summerschool Aap, Noot, Fout van Pauline Cornelisse, van 14 juli 2016.

Bron: Taalunie:bericht