Krijthanden

Het onderwijsparadijs was het Canisius College in Nijmegen. Ik had er mijn eigen lokaal, met een computer, smartboard en beamer. Een lege kast toverde ik om tot een jeugdliteratuurbibliotheek, aan de wanden hingen collages van leerlingen. In december stond er zelfs een kerstboom. Een sfeervolle plek, waar Nederlands werd gedoceerd, opgezogen, gedeeld.

Niet onregelmatig dacht ik terug aan de dagen dat ik lesgaf in Semarang, Indonesië. In die zinderende hitte, in het centrum van Java, studeerden jongeren voltijds Nederlands. In het lokaaltje waar ik mijn eerste lessen gaf, stonden enkele stoelen, met van die uitklaptafeltjes. De belangstelling was groot. Tot aan de deuropening – die toegang tot een groene binnenplaats verschafte, waar we niet veel later van een feestelijke rijsttafel zouden genieten – zaten studenten. Luidkeels zongen ze Nederlandse liedjes, riedelden taal, herschreven poëzie. Het enige elektrische apparaat was de ventilator.

Op de Moskouse Linguïstische Staatsuniversiteit hebben we een prachtig Nederlands centrum. Met een eigen Nederlandse en Vlaamse bibliotheek, portretten van de Koninklijke familie aan de muur, evenals landkaarten en andere mooie posters. Twee weken geleden werden mijn collega’s en ik verrast door een bezoek van drie oud-studenten. Onder hun armen een nieuw staatsieportret, van de Nederlandse Koning en zijn Koningin.

Maar het centrum is in trek, en dient bij tijd en wijle gedeeld te worden met collega’s Zweeds, Noors, Deens en Fins. Slechts twee keer per week vinden mijn lessen in het centrum plaats. Voor de andere uren wijk ik uit naar diverse locaties, naar de andere kant van Moskou zelfs.

Een maand geleden maakte ik kennis met mijn eerstejaarsstudenten. Twee keer elf ogen keken me – enigszins verschrikt – aan. Ze hadden gehoord van een moedertaaldocente. Die sprak alleen maar Nederlands. Ze zouden niets van haar begrijpen.

In een klein, knus lokaal, met enkel een krijtbord, ontmoetten we elkaar. Na een uur spraken de studenten hun eerste woorden Nederlands. Maar de angst om niet daadkrachtig met elkaar te kunnen communiceren bleef.

De tweede les spraken we over Nederland. In het Engels. Een zucht van verlichting ging door het lokaal. Wat wisten de studenten van het land waarvan ze de taal gaan studeren, vijf jaar lang? Wat wisten ze over de taal, die ze niet hebben gekozen? Wat verwachtten ze van de studie die, anders wellicht dan in Nederland, zo bepalend zou zijn voor hun toekomst? Zouden ze ooit van deze taal, waarin ze zullen gaan tolken, vertalen, gaan houden? Gaat het Nederlands het ooit van hun tweede studietaal, het Engels, winnen?

Drie weken later, op een zaterdagmorgen op de faculteit, komt een deel van het antwoord. Mijn eerstejaarsstudenten dragen tijdens de les allemaal dezelfde trui. De naam van de universiteit prijkend op de voorkant. De kleur is oranje. ‘Verrassing!’ roepen ze uit. Voor mij hebben ze ook een exemplaar. Ik maak er direct vlekken op. Krijthanden. De studenten hebben het Nederlands omarmd. Nu al.

Kirsten de Gelder (Moskou)